Na San Jon hield het weer even op. San Jon is zo’n plaatsje in New Mexico dat uit één tankstation en een handvol huizen lijkt te bestaan. We tankten, we reden door, en dat was de laatste stop voordat we Tucumcari binnenreden. Tucumcari is anders. Daar staan de restaurantjes op een rij, met neonborden die ’s avonds aangaan alsof de jaren vijftig nooit zijn opgehouden. Overal zie je die iconische Route 66-gebouwen, het ene opgeknapt, het andere half vervallen. Het oude bioscoopgebouw viel meteen op. Je rijdt zo’n stadje binnen en je snapt in één blik waarom mensen hier duizenden kilometers voor rijden. We sliepen in de Desert Inn. Daar werden we geholpen door Katharina, en Katharina was bijzonder.
Ze begon bijna te gillen toen ze onze paspoorten zag. Nederlandse paspoorten. Ze had er nog nooit een in haar handen gehad. Geen enkel buitenlands paspoort trouwens, van welk land dan ook. Ze bekeek het alsof we haar iets kostbaars overhandigden. Nederlanders waren volgens haar ontzettend cool, al kon ze niet precies zeggen waarom. Toen kwam de vraag die we onderweg opvallend vaak kregen. Hoe is het leven daar, en wat eten jullie eigenlijk. En elke keer weten we het antwoord niet zo goed. Meestal zeggen we dan maar Limburgse vlaai, omdat dat tenminste ergens naar klinkt. Terwijl ik dit opschrijf, bedenk ik me dat we net zo goed frikandellen hadden kunnen zeggen. Dat had vermoedelijk hetzelfde effect gehad. Ze wilde ons per se een tip geven. Op twintig minuten rijden lag een meer, en dat was volgens haar de mooiste plek ter wereld. Ze zei het zonder een greintje twijfel. De mooiste plek ter wereld.
Even later vertelde ze dat ze eigenlijk nog nooit buiten New Mexico was geweest. De staatsgrens nooit over. De oceaan nooit gezien. Daar bleef ik even aan hangen. Ik vond het aandoenlijk, op een manier die ik moeilijk kan uitleggen. Voor mij ving die ene vrouw achter de balie iets groters. Amerikanen praten graag groot. Alles is world famous en the best. En tegelijk leidt een deel van hen een klein en eenvoudig leven, waarin de wereld ophoudt bij de rand van de staat. Maar toen ik weer op de weg zat, draaide het zich om.
Want Katharina noemde een meer op twintig minuten rijden de mooiste plek ter wereld, en ze meende het. Ze had de oceaan nooit gezien, en ze miste hem niet. Ik had de oceaan al twee keer gezien en was hem alweer vergeten. Ik reed door een van de mooiste landschappen die ik ken en zat op mijn telefoon te kijken of het thuis nog had geregend. Dus wie heeft hier nou het kleine leven.
En dat is het venijnige. We denken dat we de wereld meemaken, maar we maken vooral onze eigen versie ervan mee. Ieder van ons loopt rond met een kaart in zijn hoofd, en die kaart is niet hetzelfde als het land eronder. Die van Katharina was klein, maar hij stond vol. De mijne was groot en voor de helft uitgewist, omdat ik overal was geweest en bijna nergens meer echt naar keek.
Het goede nieuws is dat gewenning geen straf is maar een gewoonte, en gewoontes kun je afleren. Niet door verder te reizen, want dat maakt het alleen maar erger. Wel door af en toe te doen alsof je iets voor het eerst ziet. Het gezicht tegenover je aan tafel. De oceaan, als je het geluk hebt dat er een bij je in de buurt ligt. Het is geen groots plan. Het is een keuze die je honderd keer per dag opnieuw moet maken, en meestal vergeet. De grootte van je wereld is dus niet de grootte van je kaart. Het is niet wat je allemaal hebt gezien, maar wat je nog raakt. Katharina zag die avond meer in ons dan wij in een half continent hadden gezien. En dat had niets met reizen te maken, maar met hoe wijd ze haar ogen nog opende.
De mooiste plek ter wereld lag op twintig minuten rijden. Voor haar was dat gewoon waar. De vraag is alleen of jouw mooiste plek ook zo dichtbij ligt, en of je hem nog zou herkennen als je er stond.