Helga vroeg me laatst wat ik ervan vond tijdens een training die ik gaf. Oké, ze heette geen Helga maar toch. Ze had een collega die structureel te laat kwam op het overleg. Moest ze er iets van zeggen? Ik wist van die collega niks. Niet hoe oud hij was. Niet hoe lang hij er werkte. Niet of zijn moeder in het ziekenhuis lag. Ik had drie zinnen en een frons. “Zeggen,” zei ik. “Vandaag nog.” Ze keek me aan alsof ik iets onbetamelijks had gedaan. En dat had ik ook. Ik had een oordeel geveld zonder dossier. Schande.
Het dossier is nooit compleet
Negentien jaar heb ik bij de politie aan waarheidsvinding gedaan. In geen enkele verhoorkamer lag ooit het hele verhaal op tafel. Er lag een map. Daarin zat wat iemand had opgeschreven, wat een camera had gezien, wat een buurvrouw dacht te hebben gehoord. De rest moest nog duidelijk worden of zou nooit duidelijk genoeg zijn. Toch begon ik nooit met: ik weet het niet. Ik begon met iets. “Je was daar om kwart over elf.” Niet omdat je het zeker wist. Omdat de ander iets nodig had om tegenaan te duwen. Wie niets beweert, krijgt niets terug. Hooguit een kop koffie en een advocaat die op zijn horloge kijkt en uren schrijft.
Het mooiste moment in een verhoor was nooit dat ik gelijk had. Het was het moment dat iemand zei: “Nee, niet kwart over elf. Het was later.” Vanaf dat moment praatten we over hetzelfde. Mijn verkeerde stelling had zijn juiste herinnering losgemaakt.
Karl Popper had er een heel boek voor nodig. Conjectures and Refutations, 1963. Kennis groeit volgens hem niet door te verzamelen tot je zeker bent. Ze groeit door ideeën die je bewust laat aanvallen. Een weerlegde gok is geen nederlaag. Het is een stap dichter bij wat klopt. Zeker weten komt er nooit. Leren van je fouten wel. Wij noemden dat geen filosofie. Wij noemden dat dinsdag.
De trainer als windvaan
Ik werk dit jaar ook 20 jaar als trainer. Twintig jaar. Zonder opleiding, met opleiding, ongetraind en getraind. In het onderwijs en daarbuiten in het commerciële werkveld. En ik heb veel voorbij zien komen. Van mezelf en van collega’s. En ik zag collega’s iets doen wat ik herken, omdat ik het zelf ook heb gedaan. Ze worden windvaan.
“Het hangt ervan af.” “Wat denk je zelf?” “Daar is geen goed of fout in.”
Allemaal waar. Allemaal netjes. En de deelnemer zit daar met zijn vraag en weet niet waar hij hem neer moet leggen. Iedereen die weleens een training over beslissen heeft gevolgd, kent het jamonderzoek. Een supermarkt in Californië, een proeftafel met vierentwintig soorten jam en een met zes. Bij zes kochten mensen veel vaker. Te veel keuze verlamt, luidde de conclusie, en die ging de wereld over. Minder bekend is het vervolg. Toen onderzoekers vijftig studies naast elkaar legden, bleef er van dat effect gemiddeld vrijwel niets over. Op één ding na. Mensen die al een voorkeur hadden, hadden nergens last van. Het probleem was nooit het aantal potjes. Het probleem was dat je niet wist wat je zelf lekker vond.
Een standpunt van de trainer doet precies dat. Het geeft de ander tijdelijk een voorkeur om tegenaan te proeven. Als beeldspraak bedoeld uiteraard. Anders is het nogal gekkig, niet?
Want als alles variabel is, valt er niets te bespreken. Je kunt je niet verhouden tot mist. Je kunt er alleen in rondlopen tot je moe wordt.
Een kaart van de Pyreneeën
Een Hongaarse luitenant stuurt een verkenningsploeg de Alpen in. Het gaat sneeuwen. Twee dagen lang. De ploeg komt niet terug en de luitenant weet zeker dat hij zijn mannen de dood in heeft gestuurd. Op de derde dag staan ze voor zijn neus. Een van hen vond een kaart in zijn zak. Ze wachtten de storm af, keken op de kaart en liepen terug. De luitenant vraagt of hij die kaart mag zien. Het is geen kaart van de Alpen. Het is een kaart van de Pyreneeën.
Wie verdwaald is, heeft aan elke kaart wat. Niet omdat de kaart klopt. Omdat de kaart je laat bewegen, kijken, vergelijken en bijsturen. De kaart was fout. De wandeling was goed.
Mijn halve standpunt is zo’n kaart. Misschien van het verkeerde gebergte. Maar zolang we bewegen en ons ertoe verhouden, staan we niet stil in de sneeuw.
Een paal in het water
Een standpunt is geen vonnis. Het is een paal in het water. Iets waar de ander tegenaan kan zwemmen, omheen kan, aan kan trekken om te voelen of hij stevig staat. Soms staat hij scheef. Prima. Dan zien we dat samen en slaan we hem ergens anders in. Die cursist, die dus niet Helga heet, zei: “Maar hij heeft het thuis zwaar.”
“Wist ik niet,” zei ik. “Verandert dat iets aan of je het zegt, of aan hoe je het zegt?” Ze dacht na. “Hoe.” Daar waren we. Op een plek waar we geen van beiden waren begonnen. Was ik daar gekomen met “wat denk je zelf”? Misschien. Na een uur. Misschien ook nooit. Ze had al twee weken zelf gedacht. Dat was precies het probleem.
Het lef om ernaast te zitten
Wat het lastig maakt: je moet bereid zijn ongelijk te hebben. Hardop en met iedereen erbij. Veel professionals verstoppen zich achter neutraliteit, omdat het veilig is. Wie niets vindt, kan niet fout zitten. Maar wie niet fout kan zitten, kan ook niet helpen. Neutraliteit is vaak geen respect voor de ander. Het is zelfbescherming.
Frank Farrelly, provocatief therapeut, zag dat al in de jaren zestig. Hij leerde het vak bij Carl Rogers, de man van het volgen, van de cliënt die het zelf wel weet. Farrelly vond de resultaten tegenvallen en ging de andere kant op. Hij koos partij. Liefst voor het deel van de cliënt dat niet wilde veranderen. Zoiets als: je hebt gelijk, het is hopeloos. En dan gebeurde er iets. De cliënt ging zichzelf verdedigen. Provoceren komt van pro vocare. Naar voren roepen. Wat er al zat, maar zich verstopte.
Er horen wel kleine lettertjes bij. Farrelly was warm, en dat voelde je onder elke steek. Een recensent merkte droog op dat studenten die hem nadeden vooral overkwamen als sarcastische eikels. Een standpunt zonder welwillendheid is geen paal in het water. Het is een steek onder water.
Vasthouden om weer los te laten
Er is één voorwaarde. Je laat je standpunt net zo makkelijk los als je het innam. Wie zijn paal in het water neerpleurt en daarna weigert hem nog te verplaatsen, is geen trainer, geen coach geen docent, geen begeleider en geen leuk mens. Je bent dan af.
Futuroloog Paul Saffo vatte het samen in vier woorden die inmiddels op elke managementdia staan: strong opinions, weakly held. Trek een conclusie, hoe onaf ook. Probeer jezelf daarna zo snel mogelijk ongelijk te geven. Een slap standpunt nodigt niemand uit om er hard tegenin te gaan. Een stevig standpunt wel. Critici wijzen op de schaduwkant. Het motto wordt makkelijk een vrijbrief maar wat te roepen en bij tegenwind te zeggen dat je het toch niet meende. Dan is het geen methode meer. Dan is het niks. De toets is simpel. Verschuift jouw paal als de ander iets zegt wat jij niet wist? Of verschuift alleen je verhaal over de paal?
“Ik denk dit. Overtuig me van iets anders.”